![]() |
||
|
Museum Lammert Boerma is gelegen te Borgercompagnie, een veenkoloniaal dorpje in Groningen. Borgercompagnie is in 1647 door een aantal 'borgers' uit Groningen ontgonnen. De turf werd door het Borgercompagniesterdiep afgevoerd. Later werd het diep gebruikt voor afvoer van landbouwproducten. Het veenkoloniale lintdorp is ca. 7 km lang en valt onder de gemeenten Hoogezand-Sappemeer, Menterwolde en Veendam. In 1947 is het overgrote gedeelte van het diep gedempt. De boerderijen in Borgercompagnie zijn meestal van het Oldambster type, dat wil zeggen een deur in het midden van de voorgevel met aan beide kanten van de deur twee ramen. De oude boerderijen van het veenkoloniale type hebben maar twee ramen in de voorgevel, met daarnaast de 'krimpen', of het woongedeelte in de schuur ingebouwd. Hier puntsgewijs een lijstje met interessante bezienswaardigheden in de buurt van museum Lammert Boerma :
Verder zijn er nog tal van interessante plekken in de buurt zoals bijvoorbeeld het schaatsmuseum, borg Welgelegen met Franse tuin en het Veenkoloniaal museum in Veendam. Er zijn in de buurt van museum Lammert Boerma nog tal van kunstenaars die schilderijen en kunst objecten tentoonstellen. Hier volgt nog een artikel dat verder ingaat op Veenkoloniën en daarbij behorend turf : Hoe ging turfgraven in zijn werk? Eerst werden de bovenliggende zoden en een dunne laag van de bovenste turf, de zogenaamde bonk, verwijderd. Vaak gebruikte men daarvoor een soort hak en de bonkschep. Het veen lag open voor winning. De afgegraven bonk en plaggen werden afgevoerd en bewaard en later vermengd met de onder het veenpakket liggende zandlaag. Zandgrond vermengd met deze bovenste turf noemde men dalgrond, een grondsoort die uitermate geschikt was voor landbouw. De onder de bonk gelegen veenlagen werden vergraven tot turf. Met de wadder, later beter bekend als de stikker, werd de turf in grote brokken gestoken. De arbeider met de wadder stond bovenaan en bracht de vorm van de turf als het ware aan. Nog iets lager stond een turfgraver met een opschot, deze maakte de brokken los en legde ze op een slagkar. Bewoners van de veenkolonien staken turf voor eigen gebruik. Door de toenemende bevolking, welvaart en de komst van steeds meer steenbakkerijen (Er werden steeds meer stenen huizen en kerken gebouwd)kwam er meer vraag naar turf, Veengebieden in Groningen profiteerden van deze ontwikkelingen. Een deel van de te vergraven was voor de stad Groningen. De ondergrond van de vergraven gebieden die erg zanderig was bleef eigendom van de stad groningen. Zo ontstonden de stadsmeierrechten, waarvan de afkoop pas aan het eind van de 20e eeuw z'n beslag kreeg. Kanalen, wijken en bruggen in deze gebieden waren ook stadsbezit. Bovendien werd alle turf via de stad Groningen getransporteerd. Groningen overheerste het veengebied dus volledig. In het midden van de 19e eeuw nam de turfwinning economisch gezien nog maar een bescheiden plaats in in de oude Groninger Veenkolonien. Met dank aan informatie van het veenkoloniaal museum.
|